Home » hersenspinsels

Zuigen en dinostront.

Ik heb ongeveer net zoveel baantjes gehad als dat ik oud ben. Ik ben achtenveertig en het langste dat ik ooit bij een en dezelfde baas heb gewerkt is zes jaar. Tot ongeveer mijn achtendertigste levensjaar was mijn record veertien maanden. En dat was in het leger. Verplicht. Het probleem is dat ik qua werk snel ben verveeld. Zo was het ook met school en heb zodoende enkel een mavo diploma om voor te leggen in deze diploma gerichte maatschappij. Gelukkig zijn er een aantal dingen die mij nooit zullen vervelen. Dat is mijn vrouw, mijn zoon en voetbal. Ik weet dus iets van veel dingen, maar heb mij nog nooit ergens in gespecialiseerd. Een paar jaar geleden, toen ik net terug was uit twaalf jaar België, kwam ik iemand tegen die ik sinds de brugklas niet meer had gezien. Hij vroeg me wat ik zoal had gedaan in de tussentijd. Die tussentijd omspande een jaartje of dertig en ik vertelde hem de hoogtepunten uit mijn leven; twaalf jaar België, een jaar Frankrijk waar ik officieel nooit heb gewoond, Boedapest, café eigenaar, horeca, getrouwd met een prachtige, blonde Vlaamse dame en nog wat dingetjes. De dieptepunten heb ik er maar uit gelaten, want anders zouden we de volgende dag er nog staan. Gefascineerd stond hij te luisteren en becommentarieerde met woorden als, ‘zo’, ‘leuk’, ‘geweldig’, en ‘fantastisch’. Toen ik klaar was met mijn relaas vroeg ik hem het zelfde. In vijf minuten tijd vertelde hij zijn levensverhaal; school afgemaakt, vriendinnetje, getrouwd, huis gekocht in de stad waar hij is geboren, gaan werken, carrière gemaakt in het bedrijf en twintig jaar later nog steeds bij dezelfde baas, vrouw en huis. En twee kinderen natuurlijk. Hij keek een beetje sip, beschamend bijna en ik probeerde hem op te beuren met het feit dat hij ongetwijfeld drie keer zoveel verdient als ik, een mooie auto onder zijn kont heeft en twee keer per jaar op vakantie kan naar de Spaanse zon samen met honderdduizend landgenoten. Niks mis mee natuurlijk als je daar gelukkig mee bent, maar ik zou het niet kunnen, een dergelijk leven. Een carrière in het bedrijfsleven is niks voor mij en geld vind ik van ondergeschikt belang. Rijk zal ik dus nooit worden, want ik vind vrije tijd nog altijd belangrijker, maar mijn leven is verre van saai geweest. Was de dienstplicht van veertien maanden het langste wat ik ooit heb gedaan, een van de kortste was kolkzuiger. Het was ergens op het begin van dit millennium in België, hartje zomer en bloedheet.

‘Zo, we zijn er al’, zei mijn kleine, kaalgeschoren collega in een onvervalst Gents accent ‘nu moeten we enkel nog wachten tot de poort opengaat’. Hij keek op zijn goudkleurige horloge, die perfect paste bij zijn goudkleurige oorbel en ketting en vertelde me dat we een half uur te vroeg waren. Hij stak een Marlboro op en bood mij er ook een aan. Ik nam hem aan en tegelijkertijd vroeg hij me of dit het enige werk was dat ik deed. Terwijl ik nog pufte om de sigaret aan te krijgen, gaf hij antwoord op zijn eigen vraag.  ‘Ik niet’, zei hij met zijn kin in de lucht en kloppend op zijn opgepompte sportschoolborst dat was gestoken in een strak wit mouwloos hemdje, ‘ik baat ook nog een café uit samen met mijn schoonpa. Iedere donderdag- en vrijdagavond en gans het weekeinde sta ik met hem achter de toog. De maandag zijn we dicht en de dins- en woensdagavond kan hij het wel alleen af’, zei hij enthousiast. Hij nam een trek van zijn peuk, tikte de as links uit het raampje van de vrachtwagen en maakte een grote kring met de rook die uit zijn mond kwam. Hij wees en knikte naar de groter wordende, maar vervagende cirkel met trotse ogen en bijpassende glimlach. Ik zei niks, maar maakte een gebaar van goedkeuring. Toch was ik niet erg onder de indruk. Temeer omdat ik dat zelf ook kon en omdat ik niet lang daarvoor zelf een café uitbaatte en wel gekkere dingen heb gezien dan een kringetje rook. Hij wachtte niet op een verbaal antwoord. ‘Bij ons in het café is het altijd gezellig, ge zou ook eens langs moet komen. Gij  ziet er wel uit als iemand die graag een pintje drinkt’. Ik zei dat ik het zou overwegen. Plots, zonder enige aanleiding draaide zijn stemming om van enthousiasme in agressie. Het leek wel of Dr Jekyll veranderde in Edward Hyde. Wild gebarend in mijn richting ging zijn anekdote verder. Eventjes schrok ik terug in de bijrijderstoel. ‘Maar waag het niet om een grote mond te geven in mijn café tegen wie dan ook. Dan ros ik u zo hard op uwen bakkes dat ge drie keer in de rondte draait. Onderschat mij niet vanwege mijn lengte, want ik heb al grotere kerels dan u in elkaar gestompt.  Ge zult niet de eerste zijn die hardhandig het café wordt uitgezet. En als ge dan nog een grote bakkes hebt, sleuren mijn schoonpa en ik u het steegske in en laten we u even voelen hoe het er hier in Gent aan toe gaat. En bel dan niet de flikken, want dan zoek ik u op en stomp ik u nog een keer in elkaar.’ Van verbazing stond ik met mijn bek vol tanden. En net zo snel als hij in Hyde veranderde, veranderde hij terug in de rustige dokter. De poort ging open en hij startte de vrachtwagen. Terwijl hij de poort doorreed naar het terrein van de waterzuiveringmaatschappij zei hij me dat hij er niet altijd aan kon doen, dat gedrag van hem, omdat hij ADHD heeft. Godverdegodver, heb ik dat weer. Mijn collega is zo’n sukkel die denkt dat hij alles kan goed praten omdat hij een aandoening heeft. Ik ben ze al vaker tegengekomen en als ik ergens een pleurishekel aan heb….., het beloofde een zware dag te worden.

Een dag of drie eerder vroeg het meisje van het uitzendbureau wat voor werk ik zocht. Ik antwoordde dat het mij niet zoveel uitmaakte, als ik maar bezig kon zijn. Ze keek nog eens naar mijn cv, nog eens naar het computer scherm, raakte enthousiast en zei dat ik op maandag direct kon beginnen als kolkzuiger. Ze zag me fronsen en met jeugdig elan legde ze me uit dat ik zou rijden op een rioolreinigingstruck samen met een ervaren collega. Om de beurt zouden we dan rijden of kolkzuigen. De rioolputten aan de kant van de weg leegzuigen dus. Ze zei erbij dat het soms zwaar werk kan zijn, maar dat je na het kolkzuigen weer twee uur in de ‘camion’ kan zitten en uitrusten. Ik zei dat ik niet vies was van vuile handen en zwaar werk en gezien mijn cv geloofde ze mij direct. Ik moest mij maandag om zes uur melden bij het bedrijf. Een minuutje of twintig rijden, dus de wekker op half vijf. Geen probleem, het was toch te warm om te slapen en tegen de tijd dat het weer koud is zal ik het wel gewend zijn om zo vroeg op te staan. Om kwart voor zes arriveerde ik bij het terrein van het rioolreinigingsservicebedrijf en daar zag ik drie grote en twee kleinere trucks staan in vol ornaat. Gewassen en gepoetst, behangen met slangen met diameters van tuinslangetjes tot anaconda’s. Over de rug van de cilindervormige container die het grootste gedeelte van de vrachtwagen beslaat, loopt een zwarte metalen buis tot boven aan de cabine. Daar gaat de buis over in gewapend kunststof en maakt een bocht langs de voorruit naar beneden en versmalt naarmate hij verder naar de grond reikt. Aan de voorkant van de cabine is aan de rechterkant een opstapje van metaal met een hekje rondom ter hoogte van de heupen. Aan de zijkanten van de container hingen metalen bakken met aan de ene kant nog meer slangen en aan de andere kant gereedschap zoals schoppen, bezems, koevoeten in diverse maten en metalen haken in diverse lengtes en diktes. Tussen de container en de cabine zat een kast met een hangslot er op. Aan de achterkant hing een katrol met een doorsnee van ruwweg een meter met daarin een zwartkleurige slang gerold. Het wagenpark was in fel oranje gespoten. Trots stonden de rioolreinigingstrucks te wachten. Klaar om de smurrie van België op te zuigen.

Zwijgend reden we de poort door het terrein op van de waterzuiveringfabriek. Onze taak vandaag was het schoonspuiten van de silo’s op het terrein met de hogedrukreiniger. Met de ‘hogedrukker’ zoals mijn hoogdrukke collega het noemde. Het was een werkje van een uurtje of vier, dus we konden het rustig aan doen. Hij zou me wel een rondleiding geven tussendoor. We kleedden ons om met de kleding uit de kast en hij zei me dat ik alvast de slang van de hogedrukker moest afrollen. Omdat hij niks uit handen wilde geven stond ik heel de dag met een bezem in mijn hand voor te boenen voordat hij er met de hogedrukspuit over heen ging. Tussen door gaf hij me een rondleiding op het grote terrein bij de zinkputten en bleef maar doorzagen over hoe sterk hij was en niet was te onderschatten. Toen we aan het einde van de dag terug waren om de riooltruck tussen de andere wagens te plaatsen vroeg hij me hoe ik het had ervaren. Zonder iets te zeggen over zijn gezeik heel de dag door vertelde ik hem dat het nogal saai was. Hij moest lachen en zei dat dat nog wel zou veranderen.

De volgende ochtend kwam ik de kantine in, riep goedemorgen naar de acht mannen en pakte een bakje thee. Mijn ‘goedemorgen’ werd, net als de eerste dag, amper begroet en zwijgend zaten we daar tot het tijd was om te vertrekken. Ik had een deja-vu die me deed denken aan de film ‘Groundhog  Day’ en zelfs mijn werkmaat zat zwijgend tot het zes uur was. Ongetwijfeld alle zever opsparend tot we in de truck zaten. En inderdaad, toen we aankwamen bij de waterzuiveringfabriek begon het allemaal opnieuw. Na een half uur reden we zwijgend de poort door. Ditmaal naar een ander deel van het terrein. We kwamen aan bij een kanaal van een meter of dertig lang en vijf meter breed. Deze was drooggelegd en lag vol met bagger. Mijn collega pakte de hogedrukspuit. Met een gluiperig glimlachje zei hij tegen mij dat ik enkel een schop en kruiwagen nodig had vandaag. Hij wees naar een grote hoop derrie die een meter of vijftig verder lag. Die moest ik in de kruiwagen scheppen die er naast stond en twintig meter verder in een put weer leeg kieperen. Mijn collega wenste mij succes. Ik antwoordde met ‘uhhuh’ en met de schop op mijn schouder liep ik naar de hoop die groter en groter werd en de geur zwaarder naarmate ik dichterbij kwam. Toen ik er voor stond was de lucht niet te harden. De hoop was ongeveer zo hoog als mijzelf. Ik vroeg mij af welke dinosaurus er hier rondstruinde die een dergelijke bolus kon achterlaten. Even voelde ik mij Laura Dern die Ellie speelde in ‘Jurassic Parc’. De neiging om met beide armen in de hoop stront te gaan wroeten kon ik gelukkig onderdrukken. Ook de verrukte gezichtsuitdrukking van Ellie leek niet op de mijne. Ik blies eens goed uit, keek even naar de strakblauwe hemel om mij er van te verzekeren dat er niet een of ander prehistorisch vliegend schepsel rond vloog die iets kon laten vallen. Ik keek ook nog even rond, mij afvragend waarom deze hoop midden op het terrein lag in plaats van in de put, of in ieder geval iets dichter bij de put. Ik heb er niet meer naar gevraagd en het is mij nog steeds een raadsel. Ik stripte mezelf van de bovenkant van mijn overall die ik met de mouwen rond mijn middel stroopte. Ik trok mijn handschoenen aan en begon aan mijn lange, saaie, zware taak. De dinostront was niet enkel zwaar van geur, maar ook zwaar van gewicht. Het was warm in de zon en het duurde niet lang voor ik zweette en rook als een vuilnisman die rechtstreeks na zijn werk in de sauna drie vrouwen heeft genomen. Om het half uur stopte ik even om water te drinken. Mijn boterhammen met kaas zweetten net zo hard als ik en door de geur van dinosauruspoep in mijn neus had ik ook niet veel zin om te eten. De hoop slinkte niet zo hard als ik zou willen. Af en toe keek ik om naar mijn collega, die zich prima vermaakte met de hogedrukspuit en mij nauwlettend in de gaten hield. Ik liet mij niet kennen en deed er nog een schepje bovenop. Rond een uur of drie was ik klaar met mijn geestdodende werk. Ik liep naar mijn maat toe om hem te helpen. Hij zag er zweteriger uit als ik, alleen bij hem was het vooral van de nevel van de hogedrukspuit. Na een uur hem nog te hebben geholpen met het overtollige water weg te vegen, terwijl hij de boel opruimde, zagen we er beide uit als gecamoufleerde soldaten. De dinostront en bagger kleefden aan heel ons lichaam. Zo goed als we konden wasten we ons met het water uit een kleine watertank die achter de cabine hing. Om een uur of half vijf taaiden we af. Eindelijk, even afkoelen in de cabine van de truck met de airco volle bak. Mijn maat vertelde dat hij onder de indruk was van mijn werk. Er waren velen voor mij die het niet haalden. Ik vroeg mij af of het kwam door het werk of door het gejengel van mijn kleine kaalgeschoren collega. Ik moet toegeven dat ik er vandaag weinig last van had. Als hij eenmaal aan het werk is, gaat hij er ook voor en hoor je hem niet meer. Onderweg terug naar de zaak begon hij weer macho verhalen te vertellen. Dit keer uit zijn jeugd. Over hoe hij vroeger op school wel eens een leraar heeft vast gepakt en daardoor van school werd getrapt. Trots vertelde hij ook dat hij de grootste jongens aan kon en ondanks zijn lengte toch altijd de mooiste meiden wist te ‘pakken’. Ik knikte enkel en luisterde maar half naar zijn strontvervelende macho gezeik. Midden in een van zijn anekdotes ging de telefoon, veranderde plots weer naar Hyde en vloekte als een Gentse havenwerker. Hij sloeg drie maal met zijn vuist op het dashboard voor hij de telefoon op nam en kalmeerde direct. De baas had nog een spoedgevalletje. Of we nog even een riolering konden ontstoppen. Bij een privé adres. Natuurlijk kunnen we dat, zei mijn maat poeslief. Hij draaide de truck richting het spoedgevalletje en daar aangekomen ging hij als een razende te keer om alles zo snel mogelijk af te ronden en na een uur of twee was de riolering weer schoon. Doordat hij rondliep als een wervelwind, knakte hij heel wat bloemen en planten in de achtertuin van de klanten. Als de vrouw des huizes er iets van wilde zeggen keek hij nijdig in haar richting waardoor ze angstig van hem weg keek. Ze keek dan in mijn richting en ik vertelde haar dan maar dat alles zou worden vergoed. Ook ik kreeg een nijdige blik in mijn richting, maar ik keek niet weg. Nadat het papierwerk was geregeld nam ik netjes afscheid van de vrouw en toen ze mij bedankte, zei mijn stuiterende collega dat ze de factuur thuis zal krijgen. Eenmaal terug in de vrachtauto kreeg ik de wind van voren. Als interimmertje (iemand die voor een uitzendbureau werkt) had ik niet het recht om te spreken tegen een klant over vergoedingen. Ik was moe, uitgeput en had de puf en de zin niet meer om hem tegen te spreken en maakte enkel een wegwerp gebaar met mijn hand. Het werd me niet in dank afgenomen. Douchen was alles wat ik wilde en liet mijn opgewonden collegaatje zijn gang gaan. Op de zaak liep ik direct naar mijn baas toe en vertelde hem dat ik de volgende dag niet meer zal verschijnen. Hij vroeg me naar de reden en ik vertelde hem maar dat het niet mijn ding is. Toch vroeg hij me, smeekte me bijna om toch nog een dag te komen. Zo laat op de avond kon hij geen vervanging regelen en de volgende dag moesten er kolken worden gezogen in Brussel. Een twee mans job. Ik zuchtte hoorbaar en duidelijk geïrriteerd en ik denk dat hij me wel begreep betreffende mijn kleine kaalgeschoren collega. Toch vertelde ik hem dat die ene dag nog wel zou lukken. Het betaalde tenslotte goed en zou dan toch nog doen waar ik voor was aangenomen. De baas knikte, wenste mij een goede avond en vertrok. Eindelijk naar huis voor een welverdiende douche.

Om kwart voor zes liep ik de kantine binnen en net zoals de afgelopen twee dagen was het stil tot zes uur. Toch riep ik vrolijk goedemorgen. Enerzijds omdat ik wist dat het mijn laatste dag was en anderzijds omdat ik dan toch iets ging doen waar ik voor was aangenomen en stiekem altijd had willen doen. In mijn prille jeugd keek ik toch altijd een beetje op naar de mensen die het vuile werk opknapte wat niemand anders wilde doen. Vuilnisman leek mij altijd een geweldige job. Lekker heel de dag buiten, smijten met van alles en nog wat en het gevoel hebben dat je nuttig bezig bent. Dat romantische beeld van dat soort werk is er bij mij nooit uitgegaan. Vele jaren later kon ik ‘belader van een vuilniswagen’ van mijn lijstje schrappen. Grappig is dat ik in die hoedanigheid een zelfde soort kerel ben tegen gekomen als mijn kleine kaalgeschoren collega. Om zes uur stipt vertrokken we naar een nette buitenwijk van Brussel. Daar aangekomen stopte mijn collega de truck net voor de eerste kolk. We stapten uit en hij begon rustig met zijn uitleg. Hij stapte in het mandje dat rechtsvoor aan de cabine hing, zijn voet bleef haken, hij struikelde en kon zich net vast houden aan de pijp waarmee we de kolken zouden leeg zuigen. Hij begon weer op zijn plat Gents te vloeken en veranderde van Jekyll in Hyde. Hij gaf een gigantische ruk aan de pijp die direct loskwam. ‘God miljaarde dju, wat een brol op dienen camion’, schreeuwde hij door de nog stille buitenwijk. Om zijn transformatie nog wat kracht bij te zetten schopte en sloeg hij naar alles wat in zijn buurt was. Ik stond gelukkig buiten zijn reikwijdte en keek het gelaten, bijna geamuseerd aan. Het was toch mijn laatste dag en het kon me niet meer schelen wat hij deed. Nadat hij kalmeerde, inspecteerde hij de pijp en kwam er achter dat deze niet meer te repareren viel. ‘Maar niet getreurd’, zei hij weer als Dr Jekyll, ‘er is nog een manier’. In plaats van in een mandje te staan en een zuigpijp zonder moeite te hanteren, moesten we nu achter de rioleringstruck lopen met een zware zuigpijp onder de arm of op de schouder. Telkens als we bij een kolk stopten, moesten we de pijp neerleggen, met een haak het rooster openen, de pijp weer oppakken, in de kolk stoppen, de pijp heen en weer halen omdat deze anders niet goed doortrok, er uit halen, het rooster weer dicht schoppen en de pijp over de schouder leggen want over de grond slepen mag niet want dan gaat hij kapot en weer verder lopen naar de volgende kolk de uitlaatgassen inademend van het oranje monster. In de brandende zon van het snikhete, stinkende Brussel smolt mijn jeugdige romantische beeld snel weg. Normaal gesproken zouden we ieder twee uur rijden en twee uur kolken, maar in deze hitte was dat niet te doen, dus deden we het om het uur. Omdat we nu achter de truck liepen moesten de ramen open blijven want  anders hoorden we de instructies niet van degene die buiten liep. De airconditioning stond op standje Noordpool en vocht om elke kubieke centimeter met de hete buitenlucht. De terreinwinst ging heen en weer, maar meestal bleef het bij een gelijkspel. De tijd ging gelukkig snel en zonder noemenswaardige incidenten bereikten we de binnenstad van Brussel. Zoals in elke grote stad is iedereen gehaast en meer gestrest dan in landelijk gebied of kleinere steden. En niemand wil achter een stinkende riooltruck rijden. De verwensingen kwamen naar ons toe in diverse talen en gebaren en het getoeter van de claxons was bijna onophoudelijk. Geamuseerd liet ik het allemaal over me heen komen en zwaaide af en toe vrolijk terug om ze duidelijk te maken dat ze allemaal de tering konden krijgen. Na een uur of vijf zonder gezeik van mijn bijna ex collega moest er natuurlijk weer iets gebeuren. Nadat hij de zuigpijp iets te vlug uit de kolk terug trok, vloog de inhoud er met grote kracht uit, precies op het moment dat er twee netjes geklede Afrikaanse heren, die er uit zagen als diplomaten, uit een veel te dure auto waren gestapt. Ik zag het gebeuren in mijn achteruitkijkspiegel en stapte tegen beter weten in uit, om te voorkomen dat de boel zou escaleren. Een aantal druppels waren op de schoenen en broek van de twee heren gespat en ze keken vermanend naar mijn collega. Dat was als een rode lap op een stier. Mr Hyde sprong te voorschijn en ditmaal ging hij te keer in het Frans. Ik begreep niet alles, maar woorden als ‘putain’en ‘fils de pute’ kwamen duidelijk naar voren. Twee grote breedgeschouderde kerels in zwarte pakken en een zonnebril op, kwamen naar voren en gingen tussen de diplomaten en mijn foeterende collega staan. Een er van pakte een notitie boekje en schreef, naar ik meen, de nummerplaat van de truck op. Rustig als ze waren lieten ze mijn collega zijn gang gaan. Ik ging voor de kleerkasten staan en schreeuwde tegen mijn collega dat hij zijn grote muil moest houden. Wonderbaarlijk genoeg kalmeerde hij, pruilend alsof hij een klein kind was dat net vermanend was toegesproken door zijn vader. Ik zei dat hij in de truck moest gaan zitten en een peuk moest gaan roken. Blijkbaar erkende hij zijn meerderen in de grote jongens achter mij en verdween in de truck. Ik draaide mij om en vroeg aan de bodyguards of ‘everything ok’ was. De ‘kleinste’ knikte bijna onzichtbaar zonder enige emotie op zijn vierkante nekloze kop, draaide zich om en liep voor zijn klanten uit naar een gebouw toe. De grootste van de twee volgde op het moment dat de ander de deur opende voor de twee heren. Ik pakte een bezem en schop en ruimde de rotzooi op het trottoir op, waarna ik de zuigpijp oppakte. Ik gebaarde naar mijn collega dat hij verder kon rijden. Op deze manier kolken zuigen ging natuurlijk veel langzamer en ’s avonds rond een uur of acht kwamen we, wederom gesloopt, aan op de zaak. Ik pakte mijn spullen, sprong uit de truck en liep naar binnen terwijl mijn collega de container nog zou legen. Ik groette hem, kreeg geen groet terug, liep naar mijn baas, gaf hem een hand, bedankte hem en liep naar mijn auto, snakkend naar een douche en een welverdiende koude pot bier.

Boedapest, de mysterieuze vrouw.

Vijfentwintig jaar en geen cent te makken. Sinds ik was afgezwaaid uit de toen nog verplichte legerdienst in 1991 liep ik doelloos rond in de krochten van Zeeland dat Vlissingen wordt genoemd. Een stad waar zowel de snelweg als het treinspoor eindigt en ik het spoor bijster was. Voor ik het leger inging had ik een geweldige job in het ziekenhuis bij de automatiseringsafdeling. Dit werk was geregeld via de sociale dienst (het was eigenlijk een soort stage met behoud van uitkering), maar ik moest het leger in, ondanks dat mijn baas Jan nog pogingen heeft gedaan om mij een vast contract te geven. Zelfs een brief naar de burgemeester mocht niet baten. Meneer Kolijn moest het leger in omdat dat nu eenmaal de wet was. In de veertien maanden dat ik daar heb gezeten wisten ze al niet meer wat ze met ons aan moesten en vijf jaar later werd het afgeschaft. Toen ik eenmaal weer terug was uit iets meer dan een jaar vreselijk saaie legerplicht hadden ze al iemand anders aangenomen in het Vlissingse Bethesda ziekenhuis. In de jaren daarna hopte ik van de ene kansloze, geestdodende job naar de ander. Ik voelde me nutteloos in een waardeloze wereld. Zodoende was naar mijn stamkroeg gaan, die vol zat met mannen die geen reden hadden om naar huis te gaan,aantrekkelijker dan werken en ik vertoefde daar bijna dagelijks. Ik liet mijn consumpties altijd opschrijven en betaalde zodra mijn uitkering binnen was. Dan had ik nog net genoeg voor boodschappen en mijn rekeningen te betalen. Gelukkig deed mijn moeder regelmatig boodschappen voor mij, anders had ik het niet gered. Tot op de dag van vandaag ben ik haar daar zeer dankbaar voor.

Al een paar jaar liep ik rond in die vicieuze cirkel van werkeloosheid, kroeg, alcohol, mariuhana, slechte vrouwen en een flinke snuif cocaine op zijn tijd. Ook klopte de heroine in die tijd aan en chineesde (heroine verwarmen op zilverpapier en opzuigen met een kokertje) ik er lustig op los om maar te ontsnappen uit die cirkel, niet beseffende dat het enkel maar erger werd. Toch knaagde het om weg te gaan uit deze verdorven stad, alles achter te laten en opnieuw te beginnen. Als ik in Vlissingen zou blijven zou het slecht met me aflopen. Op de middelbare school vertelden ze mij dat al en het zag er naar uit dat ze gelijk kregen. Die gedachte was de druppel, die klote leraren op de mavo zouden niet het gelijk aan hun kant krijgen. Ik moest iets doen. Via via hoorde ik over de Internationale Bouw Orde, een organisatie van Unesco. Deze vrijwilligers organisatie zend jongeren tot 28 jaar uit over Europa om te werken aan bouwprojecten van organisaties in landen waar er weinig geld voorhanden is. Voor het eerst in lange tijd was ik enthousiast over iets. Ik winde informatie in en kreeg een inschrijfformulier toegestuurd. Zonder er verder over na te denken vulde ik het in en stuurde het terug. Niet veel later kreeg ik bevestiging en informatie over de reis. Ik moest op een bepaald tijdstip op het treinstation van Zwolle staan. Daar werden alle jongeren in groepjes verdeeld en op de trein gezet richting een bestemming die voor jou werd gekozen. Ik had er erg veel zin in, maar moest nog wel even 250 gulden ophoesten. Een bedrag dat ik maandelijks in de kroeg uitgaf. Zo onverantwoord als ik leefde, vond ik direct een onverantwoorde oplossing. Ik stond maandelijks 1000 gulden in het rood. Mijn uitkering was 1200 gulden. Als mijn geld binnenkwam stond ik dus 200 gulden in de plus. Ik kon dus weer 1200 gulden uitgeven. Maar waar haalde ik dan die extra 250 gulden vandaan? Simpel. Ik veranderde van bank. Mijn eerstvolgende uitkering liet ik op mijn nieuwe rekening storten. Zo had ik 1200 gulden extra om uit te geven. Hoe ik mijn oude rekening weer zou aanvullen was van latere zorg. Ik leefde altijd al van dag tot dag en eerste prioriteit was even verdwijnen uit de uitzichtloosheid van mijn Sodom en Gomorra.

In Zwolle werd ik gekoppeld aan een jongen uit Limburg, een aardige gozer waar ik totaal geen raakvlakken mee had en een verlegen meisje uit het noorden van het land dat absoluut niet mijn type was. Het eerste deel van de reis gingen we met een grote groep naar Duitsland. Daar zou dan iedereen overstappen op de trein naar zijn of haar bestemming. In ons geval was dat Hongarije. Het eerste deel van de trip was geweldig. Samen met een grote groep jongeren op weg naar een bestemming waar je enkel nog maar over hebt gehoord. Met jongens en meiden uit andere groepen had ik wel vele raakvlakken. Lange gesprekken heb ik gevoerd met een geweldige meid uit de achterhoek. Helaas ging zij naar Polen. Bij ons afscheid zeiden we dat we elkaar weer zouden zien als we met zijn allen weer terug zouden zijn in Zwolle. Natuurlijk is dit niet gebeurd en had veel spijt dat ik niet haar telefoonnummer en adres had gevraagd. Op het station in München kwamen er nieuwe mensen bij en er voegden zich een jongen en twee meisjes bij onze groep. De jongen van begin twintig was lang en knokig met een veel te grote jaren zeventig bril op zijn magere gezicht. De twee meisjes waren gekleed zoals de jonge dames die onverwachts voor je deur staan om Jezus aan te bieden. En zo was het ook. Ze waren zeer religieus en kwamen uit het voormalige Oost-Duitsland. Ook de knokige jongeman kwam uit de communistische kant van het pas herenigde Duitsland. Daar kwam nog bij dat hij theologie studeerde en het zijn grote droom was om priester te worden. Een groter contrast met het zooitje ongeregeld waar ik normaal mee omging kon ik niet bedenken. Maar ik wilde verandering en die verandering was gekomen.

Vierentwintig uur nadat ik uit Vlissingen was vertrokken kwam we met de slaaptrein aan in een bloedheet Boedapest vanwaar we met een busje eerst richting het dorpje Ordacsehi bij het Balaton meer reden. Daar zouden we een week verblijven alvorens we terug zouden keren voor een verblijf van twee weken in Boedapest. In deze stad heb ik vele dingen meegemaakt met Zoltan de sigarettenman die graag messen trok naar de zigeuners, de biljartende Roma’s, de sim-sim rokende Syrier die twee woorden Duits sprak, de dronken thuisbrouwers en het knapste meisje dat ik ooit had gezien. Verhaaltjes die ik later nog eens zal opschrijven. Vanwege de hitte van rond de veertig graden werd er enkel ’s morgens gewerkt aan een school voor gehandicapte kinderen. Geld voor machines was er niet, dus alles werd met de hand gedaan. ’s Middags waren wij dus vrij om te gaan en staan waar we wilden. Een school in een buitenwijk was onze uitvalsbasis. Ik had een combikaart gekocht voor het openbaar vervoer voor 17 gulden en kon twee weken lang onbeperkt met de bus, trein en metro reizen. Het kostte plus minus een ritje van twintig minuten om in het centrum te komen. Op het begin gingen we weg met de groep en hadden we begeleiding van een Engelse vrouw die was getrouwd met een Hongaar. Ze sprak Hongaars en zei er ook bij dat je ietwat masochistisch moet zijn om deze taal, waar geen touw aan valt vast te knopen, te leren. Ze maakte ons een beetje wegwijs in de stad. Mijn groepsgenoten wilden enkel maar kerken zien. Mooie, grote ,oude, interessante gebouwen, maar na vijf kerken en een hoop religieus gezwam, hield ik het voor gezien. De volgende dagen ging ik alleen op stap. Uren heb ik gewandeld, vergapend aan een stad dat nog maar net was bevrijd van het juk van het Oostblok. Een stad met een rijke historie die verbonden is aan diverse heersers uit alle windstreken, een stad met schitterende gebouwen, mooie pleinen en romantische bruggen. Een stad met een geweldig nachtleven waar de jongeren nog steeds de pas verworven vrijheid vierden en waar de vrouwen, net als de stad zelf, mooi en mysterieus zijn. Een stad naar mijn hart en mooier dan Parijs.

Struinend en genietend van het prachtige weer langs de oevers van de Donau zag ik haar zitten op een bankje. Ik keek naar haar en ze keek terug. Ze was slank, mager misschien en had lang peper- en zout kleurig haar dat dof leek in het schijnsel van de zon. Haar donkere onopgemaakte ogen stonden scherp en hielden mijn blik vast. Ze droeg een donkerblauw zomer jurkje met streepjesmotief dat tot onder haar knieën kwam en aan haar voeten zaten rode platte schoenen. Ze glimlachte naar me en wenkte mij om dichterbij te komen. Toen ik naar haar toe kwam lopen fatsoeneerde ze haar haar dat warrig was van het briesje dat kwam aanwaaien vanaf de Donau. Toen ik vlak voor haar stond strekte ze haar arm uit en liet een open lege hand aan me zien. Met haar andere hand beeldde ze met haar duim en wijsvinger het internationale symbool van geld uit. Lief lachte ik naar haar en ze beantwoordde me met een tandeloze glimlach. Ze nodigde me uit om te zitten en ik naam haar uitnodiging aan. Ik zei ‘jo napot’, goedemiddag in het Hongaars en ze groette me terug. Ze wees met haar wijsvinger op haar borst en vertelde me dat ze Orsolya heette. Ik gaf haar mijn naam en vroeg of ze ‘éshég’, honger had. Ze knikte van ja en ik gaf haar een broodje uit mijn rugzak. Ze pakte het aan en opende het om te kijken wat er op zat. De Hongaarse worst beviel haar, ze brak een stukje brood af en gaf het aan mij, gebarend dat ik het op moest eten. Toen ik het in mijn mond stak knikte ze goedkeurend, glimlachte en brak een stukje af voor haar zelf. Een tijdje zaten we daar stilzwijgend, smullend van het broodje met Hongaars beleg. Toen ik haar een flesje water aanbood legde ze haar hoofd op mijn schouder en klopte zachtjes, moederlijk bijna met haar gerimpelde en dik geaderde hand op mijn borst. En toen begon ze al gebarend te vertellen. Ongetwijfeld verhalen over haar leven waar ik niks van begreep. Even liet ik haar mijn boekje ‘Hongaars voor dummies’ zien, maar ze wees naar de woorden en haalde glimlachend haar schouders op. Gefascineerd luisterde ik naar haar betoog waar ze duidelijk veel plezier in had. Haar donkere ogen lichtten op en ik keek van haar naar de mensen die langs liepen en genoten van het zicht op de Donau en weer naar haar. Na een half uurtje stopte ze plots met praten en klopte met haar hand op mijn knie. Ik keek naar haar en ze gaf me een knikje. Tijd om te gaan. Ik gaf haar twee briefjes van honderd forint, wat toen plusminus acht gulden of vier euro waard was. Voor mij een zakcentje, voor haar een week eten. Ik gebaarde of ik een foto van haar mocht maken voor onze wegen weer zouden scheidden. Ze sloeg haar handen ineen en trok een gezicht van verrukking. Nadat ik twee foto’s had genomen met mijn wegwerpcameraatje liep ik naar haar toe om haar een hand te geven alvorens te vertrekken. Ze stond op, gaf mij een hand, legde haar linkerhand achter in mijn nek en trok mijn hoofd naar beneden. Ze gaf een kus op mijn voorhoofd, draaide zich om en vertrok uit mijn leven zonder nog een woord te zeggen of om te kijken. Onder de indruk en even niet wetend wat ik met mijn gevoelens moest doen keek ik haar na. Toen ze uit het zicht verdween keerde ik om en liep richting busstation om terug te keren naar de school waar wij sliepen.

Toen ik na drie weken weer thuis was in het grauwe Vlissingen en mijn filmrolletje liet ontwikkelen zag ik tot mijn verrukking dat alle foto’s van mijn avontuur in Hongarije waren gelukt. Op twee na.

Luisteren.

Mijn zoontje van twaalf is een fanatiek voetballer. Op dit moment speelt hij op het hoogste niveau van Nederland, in de eerste divisie. Een competitie met mooie namen als Ado, PSV, Feyenoord, Sparta, MVV, VVV, Vitesse en nog een paar anderen. Een behoorlijk pittige competitie waarvoor hij veel moet trainen. Vier keer per week. Vier keer anderhalf uur en in het weekend natuurlijk nog een wedstrijd van twee keer een half uur. Tel daarbij op dat hij ook nog drie uur lichamelijke oefening krijgt op de VWO - altijd vlak voor een training – en ook nog eens voetbalt buiten de trainingen om, dan krijg je aardig wat uurtjes sport per week. Waar hij nog de tijd vandaan haalt om te gamen en huiswerk te maken is mij een raadsel, maar zolang hij goede cijfers haalt, vind ik het allemaal prima. Een behoorlijk druk leven voor een brugklassertje. Als bezorgde vader waarschuw ik hem natuurlijk voor en leer hem over de gevaren des levens. Als hij vertrekt naar school of voetbal zijn mijn laatste woorden meestal: ‘Doe voorzichtig he’. Dezelfde woorden die mijn moeder altijd tegen me zei als ik naar school, sport of later de kroeg ging. Holle woorden voor een opgroeiend kind en ik antwoordde ook altijd met een geërgerd ‘jaja’.

Een van de dingen die ik mijn zoon heb aangeleerd in verband met sport, is dat hij altijd naar zijn lichaam moet luisteren. Direct naar de fysio stappen als er iets niet goed voelt (hij speelt bij een voetbalopleiding (JVOZ)) en er  loopt altijd een fysio rond op de velden). Beter het zekere voor het onzekere nemen. Te lang doorlopen met pijntjes, hoe klein die ook zijn, is nooit goed. Zeker niet voor iemand die het hoogst mogelijke wil halen in het voetbal. Een advies dat hij ter harte neemt. En een advies dat je geeft, pas je ook toe op jezelf. Toch?

Ik had nogal wat krampen rondom de hart/maag streek en behoorlijk wat last van opkomend maagzuur. Mijn cholesterol is twee maal de ‘veilige’ waarde en mijn bloeddruk rijst de pan uit. Dingetjes die ik veel te lang heb laten aanslepen. En met lang bedoel ik een maandje of twee drie. Vorige week na een verjaardag thuiskomend heb ik de tuintafel gereduceerd tot brandhout nadat ik er op ben geklapt. Mijn zoon stond er bij te lachen, maar ik heb toch een behoorlijke (negatieve) indruk op hem achter gelaten. De volgende dag en nog twee dagen daarna had ik een kater zo groot als een Siberische tijger. De krampen en maagzuur werden wel heel heftig. Het was gezellig, maar ouzo en Heineken is een slechte combinatie. Toch maar eens de dokter gebeld.

En daar zat ik dan. In de wachtkamer bij de huisdokter samen met een kind dat veel te veel lawaai maakte voor zijn leeftijd en zijn moeder die verdiept was in haar telefoon. Al zeker vijf keer had de moeder haar kind een standje gegeven voor het lawaai. Met rustige stem en niet opkijkend van haar schermpje. Ergerend aan de moeder (zeker niet aan het kind) opperde ik haar dat ze misschien haar stem moest verheffen. Met een dodelijke blik  naar mij, waar ik niet warm of koud van werd, verhief ze haar stem en het kind werd iets rustiger, dat een minuutje later weer onbezorgd verder ging met herrie maken. Tussen het kabaal door draaide het lawaaischoppertje zich om naar zijn moeder en vroeg of een kip ook een vogel is. De moeder keek op, rolde met haar ogen en facebookte weer verder, waar ongetwijfeld belangrijker dingen te zien waren. Even wilde ik er nog iets van zeggen, maar op dat moment kwam de dokter binnen voor de volgende patiënt.

Mijn huisdokter is op zijn zachtst gezegd een rare kwibus. Met zijn halflange witte, vette haar, zijn zwarte leren petje en zijn eeuwige knalgele T-shirt ziet hij er buitenissig uit. Het is een dokter die nogal dramatisch uit de hoek kan komen, erg verstrooid is, altijd worstelt met zijn computer en telefoon en hij praat zoals hij schrijft. Maar het is ook een dokter die geen risico’s en iedereen  serieus neemt. Na mijn verhaal wilde hij gelijk een hartfilmpje laten maken. Het zou waarschijnlijk niks zijn, maar hij zou niet willen dat hij ‘binnenkort in het mortuarium staat naast mijn koude lichaam’.  Het hartfilmpje is gemaakt en het zag er gelukkig goed uit. Nadat ik bij de dokter wegging reed ik naar de apotheek voor een medicijn tegen maagzuur, waar ik er achter kwam dat er niks was besteld. Toch had de dokter mij verzekerd dat hij het recept had doorgestuurd, en drie keer gecontroleerd, via de computer.

Na het tuintafel incident en de megakater ben ik direct gestopt met drinken en heb nu twee weken geen alcohol meer genuttigd. Het is niet mijn eerste poging om volledig te stoppen. Vaak zeggen mensen tegen mij dat ik gewoon moet minderen als ik drink, maar dat werkt niet bij mij; het is alles of niks. Zo was het ook met roken en dat is uiteindelijk ook gelukt en ben daar al twaalf jaar van verlost. Volgende week heb ik een afspraak met de praktijkondersteuning en zeker weten dat ik daar een berg advies zal krijgen. En dat gaat lastig worden, want advies geven is een ding, maar advies aannemen en opvolgen……..pfffff.