Home » verhalen

De droom & De drang; twee lugubere verhalen.

Online te koop.

 

Andere korte verhalen (16+) zijn hier onder te lezen:

 

        #Tweestrijd 

        #Voorgevoel

 

 

Tweestrijd

 

  1. Ze kennen elkaar al van hun jeugd. Aaldrik en Harm-Jan. Ondanks zeer verschillende opvoedingen deden ze, en doen ze nog steeds, alles samen. Samen naar school, samen kattenkwaad uithalen, samen studeren en samen op kamers. Ze studeren beide economie op de hogeschool ‘in de grote stad’, zoals ze dat op het platteland zeggen. Aaldrik wil het maken in het bedrijfsleven. Hij weet nog niet precies waar, maar hij weet zeker dat hij het gaat maken. Dit is zo’n beetje het enige waar hij van overtuigd is, in al de rest is hij onzeker; omgang met mensen (vooral vrouwen), praten voor een groep, zijn geloof en vooral zijn uiterlijk. Opgevoed door zeer religieuze ouders, van het soort dat op zondag twee keer naar de kerk moet en thuis noch televisie, noch radio hebben. Toch zeker niet als er mensen over de vloer zijn. Het enige moderne wat ze hebben is een computer, deze staat op Aaldriks slaapkamer. Zonder internet. Dat denken zijn ouders toch. Opgevoed met de wetten van de bijbel, en de ijzeren hand, of riem, of wat er voorhanden was. Hierdoor is hij altijd terughoudend geweest in kattenkwaad, maar Harm-Jan heeft hem altijd mee kunnen slepen. Ondanks (of juist om) het plezier dat ze hadden, had Aaldrik toch altijd het gevoel dat hij iets deed wat zondig was. In zijn jeugd stond hij constant in tweestrijd. Nu, op zijn eenentwintigste verjaardag, is hij nog steeds in gevecht met zichzelf.

Harm-Jan, een echte boerenzoon in doen, laten en uiterlijk, studeert economie omdat hij de boerderij van zijn vader wil overnemen en uitbreiden. Nu hebben ze enkel maar koeien en een paar lappen land waar gras, maïs en graan op staat. Hij wil er ook varkens bij, en eventueel nog kippen voor de slacht.

 

Zoals elke vrijdagmiddag gaan de twee jongemannen met de bus naar hun ouderlijk huis. Een ritje van een klein uur. Met ieder twee reistassen vol met vuile was en een boekentas rond hun schouder. Ze wensen hun schoolkameraden een goed weekend en wandelen naar de bushalte.

“En Aaldrik,” zegt Harm-Jan opgewekt tegen zijn jeugdkameraad, “ben je klaar voor vanavond?”

“Ik ben wel een beetje zenuwachtig. Blijkbaar heb je het halve dorp uitgenodigd.”

 “Je wordt maar één keer eenentwintig in je leven, jongen. Dan ben je verplicht om voor al je vrienden een knaller van een feest te geven.”

Harm-Jan heeft het hele feest georganiseerd, het wordt dan ook gevierd in de een van de schuren van de boerderij. Een feest met alcohol, meisjes en ‘muziek van de duivel’ is ondenkbaar bij de familie van Aaldrik.

Aaldrik buigt zijn hoofd, kijkt naar zijn zwarte instapschoenen en zegt vol zelfmedelijden: “Ik wist niet dat ik zoveel vrienden had,”

“Ach jongen, je weet wel meer niet,” doet Harm-Jan er glimlachend nog een schepje boven op

“Oh, wat dan nog allemaal?”

“De jongens en ik,” legt Harm-Jan met een nog grotere glimlach uit, “hebben iets afgesproken. Als je voor twaalf uur nog geen meisje heb versierd en ergens in het hooi ligt te bonken, bellen we een taxi om jou naar ‘Mons Veneris’ te rijden.”

“Het bordeel?” vraagt Aaldrik ongelovig.

“Ken je nog iets anders met die naam?”

Aaldrik kijkt weer naar zijn schoenen en kan maar met moeite zijn angst wegslikken.

Iedereen in het dorp en omstreken kent de ‘Mons Veneris’. Een jaar of tien geleden hebben ze hun deuren geopend, een kilometer of vier van het dorp vandaan, ergens in ‘the middle of nowhere.’ Aaldriks ouders waren er als eerste bij om een petitie te starten tegen het ‘huis van lichte zeden en foute waarden’. Veel handtekeningen hebben ze niet kunnen verzamelen. Er wonen al niet veel mensen, en de meeste zagen niet echt een probleem. Niemand in de buurt, (de dichtstbijzijnde boerderij is zo’n twee kilometer verwijderd van het bordeel) heeft ooit een klacht ingediend voor geluids-, of wat dan ook voor overlast.

De ‘Mons Veneris’ is gevestigd in een omgebouwde boerderij, waar je op een avond makkelijk een klein maandsalaris kan spenderen. Afhankelijk van je wensen natuurlijk. Er lopen daar een stuk of dertig klasse dames rond die voor alles in zijn, zolang je maar betaald. Het pand heeft verschillende peeskamertjes, een sm-kelder en enkele jacuzzi’s. Voor elk wat wils dus. Het klantenbestand bestaat uit zakenmensen, advocaten en dokters. Ook de burgemeester schijnt een vaste klant te zijn.

 

De bus komt piepend voor de halte tot stilstand en laat met een zwaarmoedige zucht zijn deuren openschuiven. Zoals elke vrijdagmiddag is het zeer druk in de bus. Gelukkig voor Aaldrik en Harm-Jan gaan de meeste mensen eruit bij het treinstation dat maar drie haltes verder is.

Aaldrik wil juist de bus instappen als ze achter hun een hoop tumult horen. Een lange, brede man, die er uitziet alsof hij zojuist uit een stinkende sloot is gekropen, maakt stennis met een groepje studenten om een pakje sigaretten. Hij is peuken aan het bietsen maar krijgt er geen.

“Geef me een sigaret voor ik je kop van je romp aftrek,” schreeuwt de naar de sloot stinkende man.

“Je koopt zelf maar sigaretten,” vindt één van de jongens.

“Ja, inderdaad, ga er maar voor werken. Dat moeten wij ook,” helpt een ander.

“Precies, en nu opdonderen, voor we je de straat overslaan,” zegt een derde die moed put uit het feit dat ze met zijn drieën tegenover één staan.

De man kijkt verbaasd en met enig respect naar de derde jongen en begint ineens hard te lachen. De drie jongens kijken verbaasder en beginnen een beetje mee te giechelen. Alsof er een knopje in zijn hoofd wordt omgedraaid, stopt de man met lachen en krijgt een verbale woede aanval waardoor de jongens ineenkrimpen en als bevroren blijven stilstaan. Hij grist een pakje sigaretten uit de handen van één van de jongens en loopt duwend en trekkend naar de ingang van de bus. Aaldrik wil nog opzij opstappen, maar kan niet voorkomen dat hij een flinke duw krijgt. Harm-Jan reikt tevergeefs naar de kraag van zijn jeugdvriend. Aaldrik raakt uit evenwicht, valt over één van zijn tassen en raakt verstrikt in de hengsels van zijn reistassen. De slootkruiper kijkt achterom, lacht even en trekt hem verder niks van het schouwspel aan. Nog na grinnikend trekt de man zijn buskaart uit zijn smerige legerjas en legt hem neer voor de chauffeur.

“Vindt u dat normaal gedrag?” vraagt de buschauffeur terwijl hij opstaat. Hij slikt even als hij ziet dat de man twee koppen boven hem uittorent.

“Bemoei je er niet mee, vetklep,” snauwt de man terug terwijl hij zijn vuist balt en er tien centimeter voor het pafferige gezicht van de chauffeur zwaait. “Of wil je misschien dat ik je uit je eigen bus laat vliegen?”

De chauffeur voelt plots een hevige druk op zijn endeldarm en gaat snel weer zitten.

“Goed zo, kamerolifantje,” zegt de man honingzoet. En schreeuwend met consumptie: “En stempel nu mijn kaart af zodat we kunnen vertrekken.”

De chauffeur deinst achteruit, trekt wit weg en moet zijn best doen om zijn endeldarm gesloten te houden. Wijselijk stempelt hij de kaart af en hoopt dat de man er weer snel uit moet. De man loopt naar het midden, schiet een oud vrouwtje voorbij en gaat op het laatste lege plaatsje zitten. Uit zijn binnenzak pakt hij een flesje bier, trekt het open en neemt een flinke slok. Verschillende afkeurende blikken komen zijn kant op, maar blijft er stoïcijns onder. Provocerend steekt hij een gejatte sigaret op. Niemand zegt er iets van.

 

Aaldrik bevrijdt zich met hulp van Harm-Jan uit zijn vervelende positie en stapt de bus in. Onno zit achter het stuur, zoals elke vrijdagmiddag de afgelopen twee jaar. In die periode zijn het goede vrienden geworden en zijn ze regelmatig met zijn drieën op stap gegaan. Beschaamd kijkt Aaldrik naar Onno. Deze kijkt beschaamd terug, maar zegt niks en Aaldrik schuift stilletjes met zijn weekbagage door naar achter. Woorden zijn ook niet nodig. Op dit moment zijn ze zielsverwanten. 

“Je komt toch ook vanavond?” vraagt Harm-Jan aan Onno.

“Natuurlijk,” antwoordt hij enthousiast, “ik wil het voor geen goud missen, maar ik ben wel later want ik heb dienst tot tien uur. Het zal een uur of twaalf worden.”

“Ok, ik zie je dan.”

Aaldrik stoot met zijn schoudertas tegen verschillende ellebogen en schouders aan van de zittende mensen en verontschuldigt zich op voorhand door aan één stuk door ‘pardon’ te zeggen. De meesten reageren een beetje geagiteerd, maar de verontschuldigingen worden zonder meer geaccepteerd. Aaldrik komt bij de rokende man aan en probeert niet in zijn richting te kijken. Onbewust gaan zijn ogen toch die richting op en krijgt een koude rilling over zijn rug als de man hem met een smerig scheef lachje en valse ogen aankijkt. Aaldrik wil snel doorlopen, maar stapt op één van zijn tassen. Hij valt voorover, probeert zich in evenwicht te houden, maar bewerkstelligt enkel dat zijn lange, knokige lichaam om zijn as begint te draaien. Zijn schoudertas draait in een grote cirkel mee en slaat het flesje bier uit de handen van de slootkruiper. Het flesje valt met een klap op de grond en rolt spuwend en kotsend verder alvorens het uit elkaar spat tegen een metalen stoelpoot. Aaldrik draait verder, valt wild zwaaiend met zijn armen over een armleuning, slaat de bril van een oud vrouwtje van haar neus en komt op zijn rug op haar schoot en die van haar nog oudere buurvrouw terecht.

Het oude vrouwtje slaakt een gilletje en trekt hem aan zijn belachelijk kleine oren.

“Kijk uit wat je doet, onhandige slungel.”

Het nog oudere vrouwtje grijpt hem in zijn kruis en draait zijn ballen rond.

“Dat zal je leren, Pinkeltje.”

 Aaldrik schreeuwt het uit, trekt zijn knieën op en grijpt met zijn beide handen zijn geslacht. De vrouwtjes duwen hem van hun schoot af en hij valt op zijn zij, zijn geslacht nog steeds vasthoudend.

Een paar jonge gasten kunnen het niet meer houden en wijzen joelend en lachend naar de kronkelende Aaldrik. Enkele mensen schudden meelijwekkend hun hoofd. De rokende man is woedend, hij blaast en briest als een rodeo paard, staat op, gooit zijn gejatte sigaret met veel drama op de vloer en stapt op Aaldrik af.

Onno ziet het allemaal gebeuren door zijn binnenspiegel en zou willen dat hij op het toilet zat. Zachtjes bidt hij op een goede afloop. Een paar mensen bidden met hem mee.

“Jij imbeciele, achterlijke kraterkop,” slist de man met opeengeklemde tanden. Hij pakt Aaldrik bij zijn revers en tilt hem met een gemak op, zoals een kind een lappenpop oppakt. Met ogen die eruit zien alsof hij twee XTC pilletjes heeft geslikt, kijkt hij indringend in de ogen van Aaldrik die bijna een astma aanval krijgt. De man haalt zijn hoofd achteruit om Aaldrik een kopstoot te kunnen geven, maar voelt dan de ijzeren vuistslag van Harm-Jan op zijn kaak. Hij wankelt, gooit Aaldrik op de grond en wil half voorover gehangen een vuistslag teruggeven. Harm-Jan aarzelt niet en grijpt hem in zijn kraag, sleurt hem mee en duwt hem dan ruw voor zich uit. De man schreeuwt en vloekt en wil zich losrukken als Harm-Jan hem met zijn andere hand achterlangs tussen zijn benen grijpt en hem op de tippen van zijn tenen verder duwt. Bij de chauffeur aankomend, vraagt Harm-Jan of de deuren open mogen. Hij knikt glimlachend van ja en de man wordt naar buiten gesmeten. Plat op zijn lelijk smoelwerk. Een aarzelend, maar daarna luid applaus klinkt door de bus.

“Onno,” zegt Harm-Jan glunderend en buigend naar zijn mede passagiers, “doe de deuren dicht, opdat we kunnen vertrekken.”

De chauffeur groet hem marine stijl, laat de deuren met een zucht van opluchting dicht glijden en rijdt weg.

 

  1. Aaldrik doet de deur van zijn ouderlijk huis open en stapt binnen. Zijn moeder is in de keuken, bezig een feestmaaltijd aan het bereiden. Hij groet haar met een kus op de wang.

“Dag jongen, gelukkige verjaardag.”

Ze doet het keukenraam open en schreeuwt met een schelle stem naar haar man die, ondanks de regen, in de tuin aan het werken is:

“Vader, vààààààder, je zoon is hier.”

“Ja, ja moeder, ik kom al, ik kom al” reageert vader zuchtend. Op zijn gemakje komt hij naar de achterdeur sloffen. Haast maken is niet goed voor een mens, vindt hij. De mensen zijn al jachtig genoeg. Ze zouden beter wat meer naar de Here luisteren in plaats van zich druk te maken om niks. Hard werken en de kerk, dat is de oplossing voor alle problemen.

Bij de achterdeur aankomend, doet hij zijn laarzen uit en veegt zijn grijze haren en knoestige gezicht droog. Zijn grote, verweerde handen verraden dat hij inderdaad een harde werker is geweest. Heel zijn leven timmerman geweest. Het beroep der beroepen. Ach, denkt hij, leek mijn jongste zoon maar wat meer op zijn broers, dan zou hij ook als timmerman gaan kunnen werken. Maar ja, met twee linkerhanden kom je niet ver. Dat zal hij wel van zijn moederskant hebben gekregen. Dat zijn allemaal van die seutjes.

Aaldrik, de jongste van vijf broers. Niet alleen het nakomertje, maar ook het buitenbeentje van de familie.

“Proficiat jongen,” zegt vader met een rustige zware stem, terwijl hij zijn zoon een stevige handdruk geeft. “Eindelijk volwassen, mijn zoon, eindelijk een man.” In leeftijd toch tenminste.

De handdruk doet pijn en Aaldrik probeert zich groot te houden, wat maar half lukt. “Dank u, vader,” zegt hij krampachtig terug. Nog niet helemaal een man, maar vannacht misschien wel.

 

Rond een uur of zes zijn de familieleden allemaal binnen; vier grote broers met vrouw en een stuk of veertien kinderen in de leeftijd van twee tot vijftien jaar.

Gaat heen en vermenigvuldigt u.

Met vijfentwintig zielen aan de feestdis. Moeder heeft haar best gedaan. De tafel staat vol met gebraden vlees, gevogelte, vier soorten groente, drie soorten saus, gekookte aardappelen, gebakken aardappelen, witte en rode wijn, flessen water en frisdrank, en frietjes met appelmoes voor de kleinsten.

Vader, die uiteraard aan het hoofd van de tafel zit, kijkt rechts van hem en ziet zijn zoons zitten. Vier godvrezende, harde werkers en één zacht eitje. Links van hem zijn vrouw, zijn steun in alles, en zijn vier geweldige schoondochters. De kinderen zitten achteraan, zoals het hoort.

Vader staat op, neemt zijn glas rode wijn en neemt statig het woord.

“Aaldrik, nu dat je een man bent geworden, is het aan jou om het gebed op te zeggen. Als je zelf ooit een gezin hebt moet je dit zelf kunnen. En ik verwacht niet het ‘onze Vader’, een man moet kunnen improviseren.”

Vader gaat zitten, vouwt zijn handen ineen, buigt zijn hoofd en sluit zijn ogen. De rest volgt hem.

Aaldrik, schuchter als hij is, heeft heel erg opgezien tegen dit moment. Praten voor een groep mensen is niet echt zijn sterkste kant, ook al is het maar, of misschien juist omdat, het zijn familie is. Voorgaan in gebed is nog erger, omdat hij niet meer zeker is van zijn geloof. Hoe kun je ook, met zoveel ellende op de wereld. Religie is één van de grote oorzaken van al het geweld. Zonder religie zou de wereld er al een stuk beter uit zien. Een onderwerp dat onbespreekbaar is in zijn familie. Als hij het tegen zijn vader zou vertellen, zal deze het met de bijbel er wel terug in meppen.

Aaldrik vouwt zijn handen ineen, buigt zijn hoofd en laat zijn ogen open.

“Onze Vader die in de hemelen zijt en eh…eh.”

Vader slaat met zijn vuist op tafel. Glazen rinkelen, een enkele valt om. Aaldrik, en alle anderen, schrikken zich rot van de plotselinge uitval.

“Ik heb gezegd, niet het ‘onze Vader’,” schreeuwt vader. “Hoe kun je ooit een man worden als je niet kan voorgaan in gebed. Als je dit niet leert kun je nooit voor je gezin bidden. Als je ooit een gezin zal krijgen.” Zachtjes, met een strenge stem, gaat hij verder. “Je begint opnieuw, en we gaan niet eten voordat je het goed doet.”

Langzaam schuift Aaldrik zijn stoel achteruit en gaat staan. Hij vindt dat dit de aangewezen tijd is om zijn vader de waarheid te vertellen. Met een trillende maar vastberaden stem richt hij zich eerst tot zijn moeder.

“Moeder, dit gaat misschien pijn doen, mij waarschijnlijk het meest, maar ik moet dit doen.”

Moeder wist dat dit moment ging komen. Moeders weten dat nu eenmaal. Ze kijkt glimlachend, trots en tegelijkertijd verdrietig naar haar zoon en knikt bijna onmerkbaar. Een traan rolt over haar wang.

Gesterkt door zijn moeders reactie richt hij zich tot zijn vader, neemt een grote hap lucht en zegt:

“Vader, ik ben vandaag éénentwintig, een man, geworden en vind dat ik mij als zodanig moet gedragen.”

Vader staat op, slaat zijn armen over elkaar en kijkt uitdagend naar zijn zoon. De rest is muisstil en angstig om wat er mogelijk gaat gebeuren. Niemand is ooit openlijk tegen vaders wil ingegaan.

Aaldrik neemt nog een hap lucht en gaat verder.

“Ik ben niet zeker meer van mijn geloof en ga vanaf vandaag niet meer naar de kerk, totdat ik weet waar ik precies sta.”

Zijn broers kijken vol ongeloof en minachting naar Aaldrik en naar elkaar. Geroezemoes zweeft over de tafel.

“STILTE,” schreeuwt de rood aangelopen vader. Alsof er een volume knop wordt uitgedraaid is het plots weer muisstil. Iedereen draait zijn hoofd angstvallig naar vader. Deze richt zich naar zijn zoon en schreeuwt verder:

“Zolang ik leef, ga je gewoon naar de kerk zoals iedereen in dit gezin.”

“Nee,” zegt Aaldrik met vaste stem.

Vader stapt op Aaldrik af en slaat hem drie keer met de platte hand in zijn gezicht.

“Ga naar je kamer. En je komt er niet uit voor zondagmorgen. Dan gaan we naar de kerk. Met het hele gezin.”

Aaldrik kijkt woedend naar zijn vader, wil nog iets zeggen, maar bedenkt zich. Hij loopt naar zijn moeder, legt zijn handen op haar schouders, geeft haar een kus en fluistert in haar oor dat hij van haar houdt. Zijn moeder legt haar hand op de zijne en fluistert terug: “Ga nu jongen, en doe wat je moet doen.”

Aaldrik geeft haar nog een kus en vertrekt. Achter hem hoort hij zijn vader nog iets schreeuwen, maar zijn gebulder slaat te pletter tegen de al dichtgegooide deur.

 

  1. Met een geschaafd gezicht staat de man op, nog navloekend naar de bus. Hij pakt de portemonnee van de grond, die hij uit zijn hand heeft laten vallen toen hij op de grond terechtkwam, en begint de inhoud te onderzoeken. Een briefje van twintig en van vijf euro. Geen vetpot, maar alles is meegenomen. In de creditcardvakjes zitten een kaart van de bank, de bibliotheek, een studentenkaart en een paar onbelangrijke visitekaartjes. Hij klapt de portemonnee verder open en ziet in het midden een rijbewijs en een identiteitskaart zitten. Hardop leest hij het zichzelf voor.

“Harm-Jan de Gouw, man, ongehuwd, geboren op acht september negentienhonderdvijfentachtig. Geen adres.” 

De kaarten verdwijnen in zijn jaszak, voor eventueel later gebruik en gaat verder met de portemonnee te onderzoeken. Een foto van een meisje, mogelijk zijn vriendin, een bierkaartje met een meisjesnaam en een telefoonnummer en een donorcodicil. Hij neemt al deze zaken en smijt alles, behalve het codicil, in de bosjes. Deze vouwt hij open en ziet het adres staan.

Beesterstraat 11, Lammenskerke.

“Lammenskerke,” zegt de man tegen zichzelf, “dat is maar zo’n dertig kilometer hier vandaan. Even de jongens optrommelen en dan vanavond effies een dorp binnenste buiten keren.”

 

  1. Aaldrik zet zijn fiets neer en hoort luide muziek vanuit de schuur komen. De schuur die normaal dient om de tractors in te zetten, is vijfentwintig meter lang en vijftien meter breed. Speciaal voor deze avond is de schuur volledig leeggehaald, op een paar dingen na. Gereedschap, zoals rieken en schoffels, hangen nog aan de muur. Over de hele lengte aan de linkerkant, is er een zolder die vol ligt met hooi.

Aaldrik schuift de hoge deur open en ziet Harm-Jan en een aantal andere vrienden die druk bezig zijn met de afwerkingen van de ruimte. Aan de achterkant is een podium gebouwd, waar een DJ de muziek zal verzorgen. Links in de schuur, tegen de wand aan, staat een gehuurde bouwkeet waar een complete tapinstallatie in is gebouwd. Twee man personeel is er bij gehuurd. Links en rechts van de schuur zijn hooibalen geplaatst die dienen om te zitten, te liggen of om wat te rotzooien. Kriskras door de ruimte heen staan hoge ronde tafels. Buiten aan de schuifdeur staat een ton met zand die dient als asbak.

 

Aaldrik gaat bij een van de tafels staan, kijkt rond, groet, neemt gelukswensen in ontvangst en bedankt de mensen voor hun inzet. Harm-Jan vraagt nog aan Aaldrik of hij zijn portemonnee heeft gezien, maar Aaldrik antwoordt ontkennend. Een paar meter verderop is Cynthia, het zusje van Harm-Jan, bezig met de hooibalen goed te zetten. Haar hart gaat een beetje sneller slaan, als ze hem ziet staan. Vrijwel direct loopt ze naar hem toe en verwelkomt en feliciteert hem met drie stevige kussen. Het is een mooi meisje met lang donkerblond haar en bruine ogen, die deels schuil gaan achter een bril. Ze is redelijk gezet en niet zo groot en heeft daarom, denkt ze zelf, niet veel succes bij de jongens. Met haar achttien jaar heeft ze nooit echt een vriendje gehad.

Direct ziet ze dat er iets mis is met hem.

“Waarom kijk je zo droevig?” vraagt ze met veel medelijden in haar stem.

Aaldrik legt het uit en Cynthia is duidelijk aangedaan door het verhaal. Ze doet haar best om hem op te monteren, wat maar half lukt. Ze haalt twee flesjes bier, ze proosten en nemen beide een flinke slok.

“Aaldrik,” zegt ze enthousiast, “vanavond denken we er niet meer aan. Er komen een hoop mensen voor jou verjaardag straks en we gaan alleen nog lekker drinken en plezier maken. En je weet het, je kunt altijd bij ons blijven slapen. Het zal niet de eerste keer zijn.”

“Cynthia, je hebt gelijk,” zegt Aaldrik haar enthousiasme overnemend, “morgen is er nog een dag en dan zien we wel verder. Ik zal proberen er niet meer aan te denken.”

Aaldrik bedankt haar, slaat een arm rond haar schouder en geeft haar een kus die onbedoeld half op haar lippen terechtkomt. Beide trekken ze hun hoofd snel terug en kijken elkaar in de ogen, om daarna snel naar de grond te kijken. Aaldrik loopt rood aan en voelt vlinders in zijn buik.

Cynthia glimlacht verlegen, pakt zijn hand en trekt hem mee.

“Kom,” zegt ze, “we gaan de jongens helpen met de laatste voorbereidingen.”

 

  1. Om elf uur is het feest in volle gang. Steven Tyler zingt ‘Walk This Way’ en zo’n vijftig jongens en meisjes zijn aan het dansen, drinken en vrijen. Aaldrik is aan het dansen met Cynthia als hij plots door Harm-Jan en nog wat vrienden wordt weggetrokken. Ze leiden hem naar buiten waar een taxi staat.

“Beste Aaldrik,” zegt Harm-Jan plechtig, “het is tijd voor jou om een man te worden. De jongens en ik hebben wat geld ingezameld, driehonderdtwaalf euro en vierentwintig cent, om precies te zijn, en hebben de taxi opdracht gegeven om jou naar ‘Mons Veneris’ te brengen. Dus, ga de taxi in en laat hem jou rijden op de weg naar mannelijkheid.”

Aaldrik slikt even en vertelt dat hij liever bij zijn feest blijft, maar de jongens willen daar niet van horen. Nog tegenstribbelend en allerlei excuses gevend wordt hij zachtjes en lichtelijk dwingend de taxi ingeduwd.

Zodra de deur wordt toegeslagen rijdt hij weg.

 

Tussen alle auto’s die op het erf en langs de weg staan, ziet niemand dat er een oude Mercedes met vijf kerels erin tussen twee bomen staat. De chauffeur met de legerjas neemt snel een laatste snuif uit het kokertje rond zijn hals en start de auto. Onopvallend volgt hij de taxi.

 

Vijftien minuten duurt de rit naar het bordeel. Vijftien minuten voor Aaldrik om te beslissen. Dromerig kijkt hij naar het zwart van de nacht. Zijn gedachten schieten alle kanten op; van zijn ouders naar het bordeel, terug naar zijn ouders, het feest, weer naar zijn ouders en naar een peeskamertje waar hij plots het prachtige, mollige gezicht van Cynthia voor hem ziet. Die gedachte laten de vlinders weer opvliegen alsof ze zijn opgeschrikt door een geweerschot. Hij heeft eigenlijk nooit echt iets gevoeld voor haar. Ze was altijd gewoon het kleine zusje van Harm-Jan. Misschien is het gekomen vanwege de spontane kus, of misschien dat hij bij haar zijn verhaal kwijt kon. Een luisterend en begrijpend oor. Ze kennen elkaar al zo lang, maar zijn nooit met elkaar omgegaan. Drie jaar verschil in leeftijd is behoorlijk groot als je in je tienerjaren zit. Als je zestien bent is een meisje van dertien erg jong. Nu dat ze éénentwintig en achttien zijn, is het verschil zo goed als nihil. Zijn besluit staat vast, hij gaat niet naar de hoeren. Hij draait zich naar de chauffeur als hij merkt dat ze juist het parkeerterrein van het bordeel oprijden.

“Eindpunt jongeman,” zegt de chauffeur, “hier zal je er uit moeten.”

“U mag me weer terug brengen, meneer.”

“Terug brengen? Dat zal niet gaan jongen, ik kom hier iemand ophalen die terug naar de stad moet, de andere kant op dus. Als je terug wil zal ik een andere taxi moeten vragen. Maar op vrijdagavond in deze uithoek zal het wel een uurtje duren voor er iemand is.”

Aaldrik vervloekt zijn vrienden en betaalt de chauffeur. Als hij uitstapt, overweegt hij eventjes om terug te lopen, maar besluit dat het te ver is en neemt zich voor om dan maar buiten op de taxi te wachten.

 

  1. Aaldrik loopt naar het bordeel om tegen de muur wat te kunnen schuilen voor de snijdende wind. Hij ziet de met neonlicht gevulde gevel en is toch wel nieuwsgierig wat zich daarbinnen afspeelt, maar zijn besluit staat vast. Op de parking is het rustig; er staan een stuk of tien auto’s, meest dure, en een paar motors. De oude smerige Mercedes die op het terrein komt rijden steekt lelijk af tegen de rest. De autolichten beschijnen Aaldrik en komt tot stilstand. Hij krijgt bijna een astma aanval als hij de chauffeur ziet uitstappen. Vier jongere, kleinere ventjes stappen daarna uit en gaan achter hem staan. Twee links en twee rechts. Allevier de benen gespreid en hun handen op elkaar voor hun kruis. Het is alsof ze wachten op een teken van hun ‘leider’.

De leider wijst naar Aaldrik en gebiedt hem met luide stem tot hem te komen.

Aaldrik twijfelt geen moment en rent naar de ingang van ‘Mons Veneris’. Niemand beweegt, de leider niet, en zijn gevolg niet. Aaldrik opent de deur met trillende hand en hoort de man nog naar hem roepen: “Tot straks”

Aaldrik kijkt nog even om, en ziet dat de man met een brede glimlach zijn duim horizontaal over zijn hals haalt.

 

Aaldrik loopt een gang door en komt bij een andere, gesloten deur terecht. Hij klopt, en de deur wordt open gedaan door een kerel waar Mike Tyson nog bang van zou worden. Argwanend kijkt hij de onbekende jonge klant aan.

“Identiteitskaart,” gebiedt hij hem.

Aaldrik laat hem zien.

“In orde, meneer,” gaat de portier verder met rustige zware stem. “Prettige verjaardag. De entree is vijftig euro. Drankjes worden cash aan de barman betaald. Als u een dame apart in een kamertje of in een jacuzzi wilt, betaalt u op voorhand cash. Aan de barman.”

De portier stapt opzij en wenst Aaldrik een aangenaam en voldaan verblijf.

 

Aaldrik gaat aan de grote rechthoekige bar zitten en bestelt een pilsje van zeven euro vijftig.

Er zit een man of twintig aan de bar. Ongeveer de helft van de capaciteit. De meeste mannen hebben een vrouw naast hun zitten die een piccolootje van vijftien euro het stuk drinken. Bij sommige mannen staat er een champagnefles in een koeler. Op een hoek zitten vier jonge gasten plezier te maken met één enkele vrouw. Geen van de jongens maakt aanstalten om met de vrouw apart te gaan.

Aaldrik nipt van zijn bier en neemt zijn mobiel. Hij belt naar Harm-Jan die, heel onverwacht, direct opneemt. Hij vertelt hem wat er is gebeurd. Harm-Jan hoeft niet lang na te denken en vertelt zijn maat dat hij er aan komt. Hij spreekt met hem af dat hij in de gang van het bordeel wacht en direct naar buiten loopt en de auto instapt als hij hem hoort claxonneren.

Hij stopt zijn mobiel terug in zijn jaszak en wil opstaan als hij plots een hand op zijn bovenbeen voelt. De dikste vrouw die hij ooit heeft gezien gaat naast hem zitten en begroet hem met een zware zwoele stem.

“Dag mooie jongen, je wilde toch niet al weggaan zeker”

“Eigenlijk wel mevrouw, ik word zo opgehaald door iemand,” stamelt Aaldrik kijkend naar de grond.

“Zeg maar gewoon Rita hoor, mooie jongen,” zegt ze als ze haar hand naar zijn kruis verlegd, en gelijk om een drankje vraagt.

Zuchtend bestelt hij een piccolo en legt vijftien euro neer. Hij kijkt opzij en zijn geslacht begint spontaan te groeien, als hij haar eens goed bekijkt. Ze ziet eruit als een Michelin-vrouwtje, in haar strakke witte latex mini jurkje. Haar gezicht is opgemaakt met alle kleuren van de regenboog en haar geblondeerde haar zit opgestoken in een knot boven op haar hoofd. Als hij niet snel weg moest en niet constant aan Cynthia moest denken, zou hij haar zeker apart nemen. Misschien een volgende keer. Het moet toch een hele ervaring zijn om met zo’n vrouw naar bed te gaan. Snel drinkt hij zijn biertje leeg en belooft haar dat hij zeker nog eens terugkomt.

Hij loopt naar de deur, waar de portier tegenaan blijft staan met uitgestrekte hand. Aaldrik zucht weer eens en legt er vijf euro in. De portier moet eens goed lachen en blijft rustig staan. Van buiten klinkt er een claxon. Geen tijd te verliezen. Aaldrik drukt vijftig euro in de handen van de portier en glipt langs hem heen, opent de deur, rent de gang door en opent de buitendeur. Koude wind en dikke regendruppels slaan hem in het gezicht. Harm-Jan staat twee meter voor de deur en heeft het portier al opengezet. Aaldrik neemt één pas en springt naar binnen. Harm-Jan geeft gelijk vol gas en scheurt het parkeerterrein af. De Mercedes zet de achtervolging in.

 

  1. In de B-weggetjes terug naar het dorp is er zo goed als geen verlichting en is het gevaarlijk glad door de regen en de vallende bladeren. Harm-Jan kent de weg goed, maar heeft nog niet veel rijervaring en rijdt daardoor gevaarlijk hard, ondanks dat hij met het bestelwagentje van zijn vader rijdt. De chauffeur van de Mercedes heeft duidelijk meer ervaring. Dit in combinatie met stimulerende middelen en enige glazen alcohol, maakt hem een tijdbom op de weg.

Na enkele minuten van bloedstollende bochten en bijna niet te nemen rotondes, begint de Mercedes de jongens in te halen. Harm-Jan rijdt zo snel hij durft op een lang recht stuk en haalt gevaarlijk een auto in op de smalle tweebaansweg. Met zijn linkervoorwiel raakt hij even de berm en begint gevaarlijk te slingeren, maar kan voorkomen dat hij in een slip raakt. De Mercedes zit vlak achter hem. Deze geeft nog even een dot gas, en raakt de achterkant van zijn voorligger.

Harm-Jan begint weer te slingeren en haalt alles uit zijn ervaring om de auto recht te houden. Dit lukt niet helemaal, en in zijn paniek trapt hij op de rem. De auto begint nog heftiger te slingeren en uiteindelijk om zijn as te draaien. Na drie rondjes staat de auto stil. Met zijn kont in de sloot. Harm-Jan probeert er nog uit te rijden, maar tevergeefs, de wielen zakken enkel maar dieper. Er zit niks anders op dan uit te stappen en de confrontatie aan te gaan.

 

Ietwat verdwaasd van de klap, maar ook scherp vanwege de confrontatie waar ze niet van onder kunnen, stappen ze de auto uit. Harm-Jan is vastbesloten om een paar koppen in te slaan en Aaldrik beeft en bibbert, bang om wat onvermijdelijk gaat komen. Hij had zijn éénentwintigste verjaardag toch iets anders voorgesteld. Vasthoudend aan de deur en carrosserie klimmen ze naar boven. Om een strategie te bespreken hebben ze geen tijd, dat hebben hun tegenstanders al voor ze uitgedacht. Nog voor ze op het asfalt staan, begint de aanval.

 

De vier volgelingen krijgen een teken van hun leider en storten zich op Harm-Jan. Deze slaat de eerste die in zijn armreikte komt een paar tanden uit zijn mond, de tweede krijgt een vuistslag tegen zijn neus en van de derde krijgt hij zelf een stomp tegen zijn slaap. In een fractie van een seconde springen ze alle vier boven op hem en werken hem tegen de grond, om hem daarna te schoppen waar ze maar kunnen.

De leider, die eventjes heeft toegekeken of zijn volgelingen het wel goed doen, loopt op zijn dooie gemakje naar Aaldrik toe. Daar aankomende, haalt Aaldrik onverwachts uit, maar raakt krachteloos de gespierde schouder van zijn kwelgeest. Hij wil daarop weglopen, maar wordt wederom bij zijn revers gepakt en hardhandig op de motorkap geduwd. Aaldrik zwaait wild met zijn armen zonder enig resultaat. Met zijn grote linkerklauw pakt de kerel Aaldrik bij zijn nek en knijpt zijn strot een beetje dicht, om hem zo in bedwang te houden. Als reactie pakt Aaldrik zijn pols vast met beide handen en begint er aan te rukken. Wederom zonder resultaat. De grote kerel lacht hem uit en heeft duidelijk plezier in zijn machtsspelletje. Met zijn rechterhand pakt hij een knipmes uit zijn achterzak, knipt het open en houdt het met gestrekte arm hoog boven de bevende Aaldrik.

 

De auto die net was ingehaald, stopt met piepende remmen. De chauffeur ziet het schouwspel en stapt zonder nadenken uit. Zo snel als zijn zware lichaam hem kan dragen loopt hij naar de onfortuinlijke Harm-Jan toe. Met gestrekte armen springt hij boven op de schoppende ventjes. De eerste twee voelen het volledige gewicht van Onno tegen hun aandreunen. Als je ze later verteld zou hebben dat het een bulldozer was zouden ze het geloven. Ze vallen om en nemen de twee anderen mee. Onno komt met zijn volledig gewicht op een ventje neer, die zijn sleutelbeen breekt, een ander slaat zo hard met zijn hoofd op de grond dat hij eventjes buitenwesten is. Harm-Jan staat vliegensvlug op en helpt Onno overeind. Hij schopt het eerste gezicht dat hij ziet, en hoort een kaak breken. Hiermee hebben ze het wel gezien en vluchten weg als hyena’s voor een kudde olifanten. Harm-Jan bedankt zijn maat en hoort Aaldrik gillen. Ze draaien zich om en zien het blinkende staal boven Aaldrik hangen.

 

Aaldrik gilt en knijpt zijn ogen dicht. Aan de binnenkant van zijn ogen ziet hij weer het lieftallige gezicht van Cynthia en beseft dat hij iets moet doen als hij haar ooit weer wil terugzien.

Jarenlange opgekropte frustratie, vernedering, zelfbeklag en de pure doodsangst die hij nu uitstaat verzamelt zich plotseling als één grote kracht in zijn buik. Deze kracht schiet omhoog naar zijn borst en slaat dan af naar zijn rechterarm, die zich uitstrekt en dan zijn hoogtepunt bereikt in de gebalde vuist. Met een explosie bevrijdt de kracht zich, waardoor de vuist met een ongeziene klap tegen de slaap van de kerel terechtkomt.

Deze ziet een lichtflits, valt van de motorkap af en rolt half de stinkende sloot in, waar hij bewusteloos op zijn rug blijft liggen.

Aaldrik kijkt naar zijn vuist, en begrijpt niet wat hem zojuist is overkomen. Hij ziet zijn twee vrienden op hem afkomen en voelt alle spanning van hem afglijden. Dit veroorzaakt een ongecontroleerde lachbui. Zijn vrienden lachen hartelijk mee.

 

De vier volgelingen springen de sloot in en slepen hun bewusteloze leider naar de auto, waarna ze zo snel mogelijk verdwijnen om nooit meer terug te komen. De drie vrienden stappen in de auto van Onno en rijden terug naar het feest. De bestelwagen halen ze straks wel op met de tractor van Harm-Jans pa.

 

  1. Bij de schuur aankomend merken ze dat het feest nog in volle gang is. Aaldrik stapt uit, rent naar binnen en gaat op zoek naar Cynthia. Ze zit alleen, op één van de hooibalen wat voor zich uit te staren. Aaldrik loopt rustig naar haar toe, gaat naast haar zitten en wil haar een kus op de wang geven. Ze trekt weg en vraagt hem kwaad of het lekker was in het bordeel. Aaldrik legt het hele verhaal uit. In eerste instantie gelooft ze hem niet, maar na bevestiging van Onno en Harm-Jan, en het zien van het gehavende gezicht van haar broer gelooft ze hem dan toch. Ze omhelst hem en kust hem dan vol op zijn lippen.

Voor Aaldrik is nu alles duidelijk; eerst de liefde en dan (eventueel, als er nog tijd en plaats voor is) het geloof. Op dit moment weet hij dat hij klaar is, klaar, voor een tweede confrontatie met zijn vader.

Voorgevoel; een verhaal gebaseerd op feiten uit 1999

 

Het was lang geleden dat ik nog eens in Rotterdam ben geweest. Te lang. Normaal ga ik zeker twee maal per jaar naar mijn goede vriend Daan, die daar ondertussen alweer twintig jaar woont. Het was twee jaar geleden dat ik hem nog eens had gezien.
We hebben elkaar ontmoet in de brugklas. Allebei moesten we het eerste dubbelen, dus dat schiep gelijk een band. Daan kwam bijna niet naar school, dus zodoende had hij niet voldoende kennis voor de examens en ik had niet veel geleerd vanwege problemen thuis; echtscheiding, stiefvader, ellende.
Vanaf dat eerste moment dat ik hem ontmoette voelde ik dat hij een vriend voor het leven zou worden. Samen deden we alles, hij was eigenlijk mijn grote voorbeeld, heeft mij veel geleerd. Of toch geprobeerd. Vooral omgang met vrouwen. Hij was, en is nog steeds, de grote vrouwenversierder.
Op een gegeven moment is hij naar Rotterdam vertrokken en gaan varen. Als ik hem dan weer zag sprak hij altijd weer over de vrouwen die hij had versierd in Brazilie of Australie of waar dan ook. Ik woon nog steeds in het zelfde stadje in Oost-Vlaanderen, niet ver van Gent. Achtendertig jaar, vrijgezel en ik kan nog steeds geen mooie vrouw aanspreken zonder een rooie kop te krijgen.

Het was traditiegetrouw een goed en gezellig weekend vol drank, lekker eten en zware gesprekken over vrouwen, ons zelf en het leven waarin wij staan. Beide doen we het niet slecht, ik ben zelfstandig koerier en hij is, na vijftien jaar te hebben gevaren, zelfstandig timmerman geworden.
Nog steeds ben ik een tikje jaloers als hij met het zoveelste verhaal komt over een vrouw die hij in bed heeft weten te praten.

Het is zondag namiddag, ergens in november en ik sta op een tochtig, bijna verlaten perron van het centraal station te wachten op de trein die mij naar Antwerpen brengt, waar ik overstap naar Gent en daar nog één keer moet overstappen alvorens ik weer terug ben in mijn geliefd Oost-Vlaams stadje. Als ik niet zo’n verschrikkelijke kater zou hebben, zou ik thuis eerst nog mijn stamkroeg binnenstappen voor ik naar huis ga en mijn bed in kruip. Mijn hoofd staat op springen na het overmatig alcoholgebruik en de vier of vijf pakjes sigaretten die ik dat weekend heb geconsumeerd. De twee aspirientjes die ik deze morgen heb genomen werken maar matig. Even dacht ik er nog aan om een pot bier naar binnen te werken in plaats van te ontbijten, maar heb er toch maar vanaf gezien. Van te ontbijten trouwens ook.

Ik voel een koude, scherpe wind rond mijn nek blazen en in mijn oren snijden en zet de kraag van mijn jeansvest op. Zonder muts is het behoorlijk koud op mijn ietwat kalende hoofd. Toch blijf ik op het perron staan. Ik verkies de koude lucht en de tocht boven een overvolle, oververhitte, naar zweet en baklucht stinkende stationsrestauratie vol gehaaste toeristen, blèrende kinderen en schreeuwende ouders.
Nog een minuut of twintig voor de trein komt en ik steek nog maar eens een sigaret op om de tijd te doden. Niet dat de tijd sneller gaat als je rookt, maar de illusie is vaak krachtiger dan de realiteit. Zeker als je dit zelf wilt geloven.
De plotselinge schelle, veel te harde stem die door de speakers dendert, snijdt dwars door mijn hersens heen: ‘De intercity naar Antwerpen, die stopt in Rotterdam-Zuid, Dordrecht en Roosendaal, heeft een vertraging van plusminus tien minuten. The intercity to Antwerp, that stops in Rotterdèm-South, Dordrecht en Roosendaal, has A delay of….’
Leuk, nog plusminus tien minuten langer wachten op dat koude kutstation.
Langzaamaan wordt het wat drukker en af en toe levert de roltrap iemand op het perron af.

Na drie kwartier en vijf sigaretten zie ik de trein langzaam naderen. Enkele seconden voor de trein tot stilstand komt gaan mijn nekharen zonder duidelijke reden rechtovereind staan. Ik knijp mijn ogen dicht en duw mijn schouders naar boven met een pijnlijke grimas op mijn gezicht als er een bliksemflits door mijn hoofd schiet.
In die flits zie ik twee treinen op elkaar botsen, mensen in paniek, bloed en zwaailichten.
Ik ontwaak als uit een droom als de trein piepend tot stilstand komt. Al knipperend met mijn ogen kijk ik verward om mij heen en weet eventjes niet waar ik ben. Een duw van een haastige toerist brengt mij weer terug in de realiteit. Een fractie van een seconde twijfel ik of ik wel in zal stappen, maar zie geen ander alternatief. Lacherig wuif ik mijn gedachten weg en stap in.
Ik zoek de rookcoupé die ik niet kan vinden en bedenk me dat het misschien beter is voor mijn hoofdpijn als ik eventjes niet rook. Als ik het niet meer kan uithouden kan ik altijd nog naar het toilet. Kan ik gelijk mijn darmen legen. Schijten en roken, een heerlijke combinatie.

Het is nog niet zo druk in de trein (de meesten zijn hier in Rotterdam-centraal er uitgestapt) en zoek een plekje waar verder niemand zit. Mijn hoofd heeft eventjes geen behoefte aan menselijk contact en nutteloze gesprekken. Omdat ik graag weet wat er voor mij gebeurt ga ik aan het raam zitten met mijn gezicht naar de voorkant van de trein toe op het eerste bankstel van de coupé. Net als in een restaurant zit ik altijd met mijn rug tegen de muur zodat ik een goed overzicht heb en niemand mij ongezien kan naderen. Als dit niet kan, zoek ik een ander restaurant.
Eenmaal zittend sla ik onbewust mijn hoofd achterover tegen de hoofdsteun, die lekker zacht aanvoelt, en voel de behoefte naar nicotine weer opkomen. Ik besluit om daar geen gehoor aan te geven zolang ik nog hoofdpijn heb.
Uit mijn rugzak pak ik een tijdschrift en een flesje water dat ad fundum naar binnen gaat, net zoals een groot aantal pintjes gisteren. Met die kleine Hollandse pintjes is dat natuurlijk niet echt een grote prestatie. Twee dagen lang Hollands bier drinken daarentegen wel. Vandaar ook waarschijnlijk die kater van hier tot Tokio.

Ik neem het tijdschrift en begin te bladeren om de tijd te doden. Er staan artikels in over moord, doodslag en zelfmoordaanslagen; in de jaren na 9/11 wordt er met zoveel geweld naar de mensen gesmeten dat ik er immuun voor ben geworden, dus dat interesseert me niet te veel meer. Dank u, meneer Bush. Artikels over sport; interesseert me alleen als ik ze zelf niet hoef te beoefenen, tenzij dit mogelijk is in de kroeg. Een paar pagina’s vol met de nieuwste gadgets; leuk speelgoed, maar vaak veel te duur en compleet nutteloos. Artikels over seks en blote vrouwen; een onderwerp dat altijd blijft boeien, maar kan mijn kop er niet bijhouden. Ik staar naar de plaatjes, maar zie niet veel. Mijn hersens draaien nog maar op halve kracht en zullen dat waarschijnlijk blijven doen tot ik weer wat nachtrust heb gehad. Maar slapen wil ik niet, want in Antwerpen moet ik overstappen en anders eindig ik in Brussel of wie weet nog verder.

De conducteur komt langs, knipt mijn kaartje en wenst mij een goede voortzetting van de reis. Ik mompel iets onverstaanbaars naar hem en staar weer verder in mijn blaadje. De reis is nog geen kwartier oud als de trein alweer begint te remmen. Zuchtend en kreunend komt hij tot stilstand in Rotterdam-Zuid. Een klein stationnetje, dus er stappen niet veel mensen in. De meeste mensen zoeken een plekje op waar nog niemand zit. Blijkbaar zoekt de mens van tegenwoordig zijn medemens niet meer op om een gesprek aan te knopen. Iedereen heeft behoefte aan zijn of haar stukje privacy. Zelfs, of beter, vooral, op drukke plekken. Hoe vals dat gevoel ook is, Big Brother zit tegenwoordig overal. Ook ik zit alleen in mijn eigen klein universum en voor mijn part kan op dit moment de mensheid in de stront zakken, zolang ze maar niet spettert.
Twintig minuten later stopt de trein alweer. Dit maal in Dordrecht.

Ik kijk naar buiten en zie weer niet teveel mensen instappen; een paar Afrikaanse mannen, gevolgd door hun vrouwen, een paar Nederlandse vrouwen, gevolgd door hun mannen en als laatste een prachtige geblondeerde jongevrouw. Ik schat ze op een jaar of achtentwintig.
Ik hou van geblondeerde vrouwen. Dat zijn vrouwen met een doel in hun leven. Ze weten wat ze willen en ze weten wat ze moeten doen om daar te geraken. Ze gaan recht op hun doel af, zijn vaak keihard en gaan over lijken. Vrouwen met ballen aan hun lijf dus.
Haar haar, dat gedeeltelijk onder een zwarte sjaal is verborgen, is heel lichtblond, tegen wit aan. In de kruin zitten donkere strepen. Haar ogen zijn mysterieus donker en lichtjes opgemaakt en haar wenkbrauwen verraden dat ze van nature lichtbruin haar heeft.

Nog voor ze de coupé binnenkomt doet ze met enig gevoel voor drama haar korte, zwarte lederen jas open en haar haar terug in model. Ze heeft gelijk de aandacht van de coupé, man en vrouw, zei het met verschillende blikken.
Een strak zwart t-shirt met decolleté en een push-up bh worden zichtbaar. Het t-shirt steekt in een strakke zwarte jeansbroek en haar voeten in hagelwitte sportschoenen. Ze doet overduidelijk geen moeite om haar wellustige vormen te verstoppen. Een ‘lekkere blonde stoot’, zoals de Hollanders zo mooi kunnen zeggen.

Mijn richting oplopende kijkt ze zwoel en plagend in de ogen van iedere man die ze tegenkomt. Allen kijken ze kwijlend terug, of ze nu met vrouw of vriendin zijn of niet. Jaloerse en valse blikken vliegen over en weer.
Even wankelt ze als de trein vertrekt. Ze wordt tegengehouden door een wat oudere man, die ze bedankt met een steelse blik en een kus op zijn wang. Zijn vrouw kijkt niet jaloers, eerder geamuseerd.
Als ze bij mij komt blijft ze staan en bekijkt me van top tot teen en weer terug.
‘Hallo,’ zegt ze met een ongewoon zware, maar toch sexy stem, ‘ik ben Kelly. Mag ik erbij komen zitten?’
‘Graag,’ antwoord ik haar schuchter maar niet zonder trots en glimlach, terwijl ik met mijn hand gebaar dat ze tegenover mij mag komen zitten, ‘ik ben Frans.’
Ik doe mijn blaadje dicht en leg het naast mij neer, dankbaar dat de mensheid niet in de stront is gezakt en afvragende waarom ze juist bij mij komt zitten.
Ze gaat zitten, bukt zich een beetje waardoor ze haar borsten aan mij presenteert, die duidelijk niet helemaal echt zijn en legt haar hand op mijn knie.
‘Ik zag je zitten en dacht gelijk: ‘dat is een leuke kerel om de treinreis mee door te brengen’’.
Zoals ik al eerder zei: een blonde vrouw gaat recht op haar doel af. Voor haar wil ik mijn eigen klein universumpje wel even verlaten. Het is alleen zo spijtig dat ik een afgrijselijke kater heb, die nu iets aan het afzwakken is maar nog steeds mijn gedachtengang hindert.
Voor ik de kans krijg om iets terug te zeggen, neemt ze alweer het woord.
‘Ik zit zonder sigaretten, zou ik er eentje van jou mogen?’
‘Natuurlijk mag je dat,’ zeg ik overdreven vriendelijk, ‘maar je mag hier niet roken.’ Ik heb gelijk spijt van het stompzinnige antwoord.
Blijkbaar vindt ze mijn dom antwoord aandoenlijk, want ze reageert met een lieve gimlach.
‘Dat is geen probleem, ik loop wel even naar het toilet.’
Ze staat half op, buigt zich voorover, likt ondeugend aan mijn oor en fluistert: ‘Waarom loop je niet even mee?’
Kater of geen kater, siliconetieten of niet, deze kans laat ik mij niet voorbij gaan. Al was het alleen maar om dit verhaal tegen Daan te kunnen vertellen.

Ze komt recht, draait zich om en wandelt richting toilet. Slaafs volg ik haar, gehypnotiseerd door haar wiegende achterste. Mensen kijken mij aan en ik voel mij zo trots als een hond met zeven lullen in het maanlicht. De oude man kijkt mij aan met een blik van ‘geniet er maar van jongen’.
Kelly stapt het toilet in en schaamteloos stap ik mee, de jaloerse blikken nog in mijn rug voelend.
Ze neemt me vast en kust me zachtjes op mijn lippen. Als ik mijn tong bij haar naar binnen wil duwen, trekt ze terug en duwt me zachtjes op de toiletpot. Ze gaat met haar benen wijd voor me staan en doet het knoopje open van haar broek. Ik trek verbaasd mijn wenkbrauwen omhoog als ze verder gaat met haar rits. Langzaam trekt ze de rits naar beneden.
En toen voelde ik de klap.

Mijn hoofd slaat achterover en op hetzelfde moment zit ik op en neer te springen alsof ik weer vijf jaar ben en met mijn kont de trap afglijd. Kelly schiet naar voren en belandt op mijn schoot, met haar knieën naast mijn heupen en haar hoofd hardhandig tegen de wand aanknallend. Ze raakt niet buitenwesten, maar vloekt als een marinier die net hoort dat zijn zoon een sex operatie wil ondergaan.
Op hetzelfde moment hoor ik staal piepen, knarsen, buigen en breken. Tien seconden later staan we stil. We kijken elkaar in de ogen en weten wat er is gebeurd, maar we willen het nog niet beseffen. We blijven zo nog een paar seconden zitten en ik voel dat de adrenaline door mijn aderen begint te stromen. Deze verdrijft de laatste restjes alcohol en ben op slag genezen.
Kelly staat op en leunt tegen de wand. Nog steeds stilletjes vloekend wrijft ze over haar voorhoofd. Ik kijk ietwat verdwaasd en paniekerig en merk dat ik zwaar aan het hijgen ben.
Ook ik sta op en open de deur. Ik loop terug naar de coupé en merk dat de deur scheef staat. Ik krijg hem niet open, maar met behulp van Kelly lukt dit wel. Met grote ogen en open mond kijk ik naar binnen.

Een jongeman aan de andere kant van het gangpad slaat een kruis, blaast opgelucht uit en kijkt naar het plafond. Ik hoor een baby huilen. Een jonge vrouw die hysterisch schreeuwt, neemt de baby vanuit de kinderwagen, die naar de andere kant van de coupé is gekatapulteerd, in haar armen om hem te troosten en te kijken of alles goed met hem is. Op het eerste gezicht is er niks aan de hand. Een man ligt half op de grond, met een onderbeen dat in de verkeerde richting ligt en een vrouw zit heftig bloedend uit haar voorhoofd hijgend voor haar uit te staren. Haar man probeert met papieren zakdoekjes de wond te stelpen.
Mensen staan op en gaan naar elkaar toe om elkaar te helpen of te troosten of een mobieltje te lenen. Het oudere koppel omhelst elkaar en ik zie de man naar zijn hart grijpen. Een jonge vrouw loopt naar hem toe en geeft hem de eerste hulp.
Ik loop naar een raampje en kijk naar buiten op het andere spoor. Ik kijk naar links en zie enkel het spoor dat verdwijnt in een bocht. Ik kijk naar rechts en zie het volgend treinstel dwars op het spoor staan. In de verte hoor ik sirenes.

‘Iedereen blijven zitten, iedereen blijven zitten. Geen paniek, geen paniek,’ schreeuwt de binnenstormende conducteur in paniek met een trillende stem die iets hoger klinkt dan een goede drie kwartier geleden. Zonder acht te slaan op de oude man die daar ligt, verdwijnt hij weer net zo snel als hij is opgedoken.
Ik kijk naar Kelly en vertel haar dat ik niet in de trein wil blijven. Ik hoor en zie dat we niet de enige zijn die er zo over denken. Als er een andere trein aan komt denderen wil ik hier niet meer zijn. Ze is het met me eens en we lopen direct naar een deur. We zien dat de deur aan de kant van de berm nog maar aan één kant in zijn hengsels hangt en het trappetje volledig is verdwenen. Even heb ik de gedachte om er aan de andere kant uit te stappen, maar bedenk me gelijk; het risico is te groot. Met een flinke trap, trap ik de deur er volledig uit. Ik spring naar beneden en draai mij om om Kelly te helpen, maar ze is me voor. Ze is er al uit gesprongen.
Ik kijk naar de achterkant van de trein en zie de oorzaak van het ongeluk. Een andere trein is achterop ons gereden. De locomotief ligt op zijn kant, een dubbeldeks daarachter ook. De rest van de trein is uit het zicht vanwege een bocht. Overal lopen er mensen en zie dat de machinist uit de locomotief wordt geholpen.
We gaan allebei aan een kant van de deuren staan en helpen de rest van de mensen eruit. De zwaargewonden moeten even wachten tot er professionele hulp is. Die laat niet lang op zich wachten. Een paar mannen dirigeren de hulpdiensten onze richting op. Verder kunnen wij niks doen en lopen met de rest mee naar een spoorovergang die zo’n tweehonderd meter verder ligt. Daar aangekomen steek ik een sigaret op en geef er ook één aan Kelly. De politie vertelt ons dat we hier moeten wachten, omdat we worden opgehaald door bussen die ons naar een hotel in Roosendaal zullen brengen.
Overal worden er groepjes mensen gevormd die druk met elkaar beginnen te praten. Een groepje jonge gasten maken grapjes en lachen luid, een aantal mensen zit op de stoep te huilen, omarmen en troosten elkaar. Ouders proberen hun kinderen bij elkaar te houden. Zij hebben het avontuur van hun leven. Kelly en ik roken de ene sigaret na de andere.
Iedereen verwerkt het op zijn eigen manier.
Na ongeveer een uur beginnen de bussen eindelijk toe te stromen. Na nog eens een half uur kunnen we eindelijk instappen. De ambulances rijden nog steeds af en aan.

In het hotel aankomend moeten we onze naam en adres opgeven. Dit voor het geval we achteraf nog letsel ondervinden en dit dan kunnen verhalen op de Nederlandse spoorwegen. We worden ondergebracht in de aula waar we koffie krijgen. Een stevige borrel zou me beter smaken, maar het is niet anders. Ik ben al blij dat ik weer wat vocht binnen krijg.
Een woordvoerder van de NS komt binnen en vertelt ons dat we naar het station van Roosendaal worden overgebracht om onze reis verder te kunnen zetten.
Ik kijk naar Kelly en zeg dat ik het niet ziet zitten om direct weer in een trein te stappen.
Ze glimlacht ondeugend naar me en doet het voorstel om dan maar een kamer te huren en verder te gaan waar we mee bezig waren. We zijn tenslotte toch in een hotel.
Ik glimlach ondeugend terug en sta op. Woorden zijn niet meer nodig.

‘Ga maar alvast op bed liggen,’ zegt ze als we in de kamer zijn aangekomen, ‘ik ga mij eerst even opfrissen.’
Ik kleed mij uit en ga liggen. Na enkele minuten komt ze terug de kamer binnen met enkel een handdoek rond haar lichaam. Ze zegt tegen me dat ik op de rand van het bed moet gaan zitten. Gewillig voer ik haar opdracht uit. Eindelijk kom ik er dan achter wat ze al wilde doen in het toilet van de trein.
Ze laat de handdoek een klein stukje zakken waardoor ik haar geweldige neptieten kan bewonderen. Ik kan het bijna niet meer houden, ontplof bijna van verlangen. Ze gaat vlak voor me staan en spreidt de handdoek wijd voor haar uit en wacht nog even heupwiegend om de spanning op te drijven.
Dan laat ze het vallen.
Ik kijk naar haar kruis en verschiet mij een ongeluk.
Zoals ik al eerder zei: Een geblondeerde vrouw; een vrouw met ballen.